Historiek
ELEWIJT
Elewijt is in archeologische kringen bekend om zijn talrijke vondsten uit de gallo-romeinse periode die naar een belangrijke vicus verwijzen. De Romeinen hadden oorspronkelijk een marskamp tussen de Waversebaan en de Tervuursesteenweg. Later groeide het geheel uit tot een nederzetting van enige omvang, onder andere wegens zijn gunstige ligging aan een belangrijk wegenknooppunt.
De oorsprong van het Steen gaat terug tot de Middeleeuwen. Het Steen is waarschijnlijk gegroeid uit een houten uitkijktoren op een motte. Bekende bewoners van het Steen waren o.a. Maria-Kristina van Egmont, dochter van de Graaf van Egmont die op 5 juni 1568 werd onthoofd op de Grote Markt te Brussel, en Pieter Paul Rubens, die zich in 1635 op het Steen vestigde.
Elewijt werd in het verleden meerdere malen getroffen door rampen. In 1488-1489 werd het in brand gestoken en verwoest waardoor hongersnood uitbrak. Op het einde van de 16e eeuw hielden de beeldenstormers er lelijk huis.
Ondertussen was Elewijt reeds bekend geworden als bedevaartsoord waar men de heilige Hubertus aanriep tot bescherming tegen razernij bij mens en dier. Besmette personen kregen om te genezen een stempel in de huid gebrand. In de 19e eeuw daalde de belangstelling en de bedevaarten verdwenen ten slotte, mede door de uitvinding van het vaccin tegen hondsdolheid. De Sint-Hubertusprocessie (Pinkster-maandag) herinnert nog aan de deze eeuwenoude traditie.
Naast Rubens heeft er nog een andere bekende schilder in Elewijt gewoond, nl. Victor Servranckx. Hij woonde in huis De Valk, de vroegere afspanning "In de Valck" met herinneringssteen uit 1735.
Elewijt telde ook sportieve beroemdheden onder haar inwoners. Hubert Van Innis, wiens standbeeld we langs de Tervuursesteenweg kunnen vinden, was in de jaren 1920-1930 een zeer bekend schutter. Hij won op de Olympische Spelen van Parijs 2 maal goud in het boogschieten. Op de Olympische Spelen van Antwerpen in 1920 sleepte hij niet minder dan 4 gouden medailles in de wacht. Hij behaalde ook de titel van wereldkampioen in 1933.
EPPEGEM
Eppegem heeft zijn ontstaan wellicht te danken aan de Zenne. De mensen die in de omgeving van de Zenne woonden, leefden van de visvangst en de veeteelt (paarden en runderen). Omdat de Zenne oorspronkelijk geen dijken had, werd de omgeving herhaaldelijk onder water gezet bij overstromingen. Telkens werd er dan door de rivier een laag vruchtbare kleiaarde aangevoerd en afgezet. Op deze gronden vestigden zich later vele landbouwers.
Tijdens de Middeleeuwen oefenden heel wat inwoners het beroep van boottrekker uit. In die tijd voeren immers vele schepen de Zenne op en af ter bevoorrading van Brussel en om onze eigen producten uit te voeren. De tol op de scheepvaart werd geheven ter hoogte van de huidige brug.
De oudste (tot nu toe bekende) vermelding van Eppegem dateert uit 966 in een door keizer Otto I uitgegeven diploma. In die tijd schreef men het als Ippingohaim (dit betekent "woning van Ippe"). We hebben hier te maken met een typische ingaheimplaatsnaam van Frankische oorsprong. In 1245 luidde de naam Eppenghem en sinds 1945 heet het officieel Eppegem.
In 1436 werden de verbredings- en uitdiepingswerken aan de Zenne stopgezet. De scheepvaart op de Zenne kreeg een ernstige klap toen de Willebroekse vaart gegraven werd. Korte tijd daarna verdween de boottrekkersgilde. Rond 1580 richtten de Brusselaars een schans of versterking op ter bescherming van het kanaal tegen mogelijke aanvallen vanuit Mechelen en Leuven. In de volksmond werd ze "Schrans" genoemd.
Eppegem bleef in het verleden niet van tegenslagen gevrijwaard. In 1592 werden de kerk en heel wat huizen door rovers en ketters in brand gestoken. In 1628 brak de pest uit en bij de zware veldslagen in augustus en september 1914 werden de kerk, het gemeentehuis, de school en 176 huizen zwaar beschadigd, terwijl vele burgers gedood of weggevoerd werden.
HOFSTADE
In tegenstelling tot de meeste plaatsen in de omgeving van Mechelen zijn er tot nu toe geen duidelijke sporen van een mogelijke Romeinse nederzetting in Hofstade gevonden.
Gedurende de Middeleeuwen was Hofstade een deel van de heerlijkheid en het land van Mechelen. Dit bleef zo tot aan de Franse inval in onze streken. Met uitzondering van het Ambrooskasteel en het kasteeltje Van den Nieuwenhuize telde Hofstade geen grote domeinen. Wel speelde de grote Gasthuishoeve (13e eeuw) een belangrijke rol.
Bij de Belgische onafhankelijkheid was Hofstade een vergeten en verwaarloosd gehucht dat deel uitmaakte van de gemeente Muizen. Stilaan groeide Hofstade echter uit tot een grotere gemeenschap en door het graven van de Leuvense Vaart in het midden van de 18e eeuw, werden de oude verbindingswegen tussen de beide dorpskernen onderbroken. Bij Koninklijk Besluit van 23 februari 1870 werd Hofstade een zelfstandige gemeente.
Toen rond de eeuwwisseling het verkeer op de spoorlijnen Brussel-Mechelen-Antwerpen steeds drukker werd, besloot de N.M.B.S. een vertakking aan te brengen tussen Weerde en Muizen via Hofstade. Omdat de sporen op een verhoogde berm moesten liggen (anders hinderden ze het verkeer onderweg te veel) werden tussen 1900 en 1916 in het zuiden van de gemeente 140 ha grond onteigend voor ophogingswerken. Gedurende de oorlogsjaren werden de werkzaamheden gestaakt en de natuurlijke afvloeiing van het grondwater in de omgeving zorgde ervoor dat de putten vol liepen.
In 1925 werd het domein afgesloten en het water werd voor de drinkwatervoorziening van Mechelen gebruikt. Een actie op nationaal vlak heeft ervoor gezorgd dat men het domein toeristisch ging exploiteren. De jaren dertig kunnen beschouwd worden als de bloeiperiode van het domein, met o.a. een wielerbaan, een marktplein "Oud België", een liliputtreintje, een permanente kermis,...
WEERDE
Het grondgebied van de vroegere gemeente Weerde moet voor de komst van de Romeinen in onze streken vrijwel geheel door water overspoeld geweest zijn daar de Zenne in die tijd enkele kilometers breed was.
De oudste vermelding van Weerde komt omstreeks 1150 voor in de bullen van Paus Eugenius II. De typische indeling, bestaande uit 2/3 land, 1/3 beemden en bosgebied op de grens met Zemst, wijst op de oud-Frankische oorsprong van de eerste nederzetting (9e eeuw?).
Ten laatste in de 13e eeuw werd op de Zenne een sluis gebouwd op de plaats waar de getijdenwerking van de Zenne ophield. Er kwamen ook een molen en tolhuis met schoftoren. Het geheel werd herhaalde malen verkocht, herbouwd en uitgebreid (er kwamen later ook een graan- en volmolen bij). In 1910 werd het malen definitief gestaakt omdat de dijken te zwak geworden waren en het leven nabij de vervuilde rivier ondraaglijk werd. In 1914 vernielden de Duitsers grotendeels het geheel.
Weerde was altijd al gering bevolkt: in 1374 waren er 51 inwoners, in 1786 waren het er 410 en in 1900 slechts 777. Bij de fusie van de gemeenten in 1977 was het niet alleen de kleinste van de fusiegemeenten (403 ha) maar het telde ook het geringste aantal inwoners (2 068).
ZEMST
Een aantal oude plaatsnamen in het grensgebied Mechelen-Hombeek-Zemst laten ons vermoeden dat er op die plaats tussen de 4e en de 8e eeuw enkele nederzettingen gesticht zijn die later aanleiding gegeven hebben tot de ontwikkeling van belangrijke domeinen of hoven. Het domein Releghem is een overblijfsel van één van die nederzettingen, al is het huidige uitzicht wel van veel recentere datum.
Het staat vast dat Zemst in het verleden veel uitgestrekter dan bij de fusie was. Het reikte indertijd tot tegen Meise en Wolvertem via het zogenaamde "Hongarije van Zemst". Door de aanleg van het kanaal Brussel-Willebroek werd dit stuk grondgebied afgesneden van de rest. Ook een gedeelte van Hombeek behoorde oorspronkelijk tot Zemst.
Zemst werd in het verleden dikwijls als een strategisch belangrijke plaats beschouwd in de strijd tussen de Brusselaars en Mechelaars. Dat had onder andere tot gevolg dat er meerdere veldslagen uitgevochten werden en dat het meer dan eens verwoest werd.
Parochiaal gezien heeft Zemst in het verleden een zeer grote rol gespeeld. Het behoort tot de oudste parochies van Brabant en is als dusdanig een "moederparochie" die aan de oorsprong ligt van een aantal later gestichte dochterparochies. Deze dochterparochies zijn Eppegem, Hombeek, Leest, Heffen, Kapelle-op-den-Bos, Heindonk en Weerde.
In Zemst-Laar bevindt zich onder andere de mysterieuze "Halve Steen" (hoek Halvesteenstraat-Humbeeksebaan), waarrond in de loop der jaren heel wat verhalen geweven werden. Vermoedelijk gaat het om een grenssteen.
